Hoe dikwijls heb ik gedacht dat het nooit beter zou worden. Al die keren dat opstaan voelt als een dodengang en de avonden die ik lig te wachten op slaap die maar niet komt. Hoop is enkel voor anderen, de gelukzakken. Iets dat ik ergens onderweg ben kwijt geraakt, zonder me te herinneren waar.
Leven zonder hoop is als leven zonder zintuigen. Alles voelt smaakloos, zwaar en eentonig. Elke poging om vooruit te komen geheel zinloos. Moe van het vechten, van telkens opstaan om meteen weer neer te vallen. Zo moe van elke “Alles komt goed!” die mij onophoudelijk tegemoet komt. Maar hoe kan je hopen dat alles goed komt als je niets anders meer voelt dan een grote zwarte leegte?
Tot er, ergens, in het duister, hoop zich als flinterdunne straaltjes zonneschijn door de donkere wolken begint te priemen. Een kleine overwinning, die onverwachte glimlach van iemand waarvan je deze niet verwacht. Een postkaart van iemand waarvan je dacht dat ze je al lang vergeten waren. Zat er dan toch een zon ergens achter die grauwe wolken?
En dan die heel kleine gedachte: “Misschien is er toch nog wel iets moois op mijn pad?”
Na elke minieme zege weer iets meer geloof dat het mogelijk is. Hoop! Niet omdat alles opeens perfect is, maar het besef dat ik niet voor altijd in mijn verborgen kerker zou blijven. Hoop sijpeld langzaam door het ijskoude plafond. Als dat specifieke schouderklopje, de zoveelste achterstallige rekening die ik kan afvinken, die oprechte uitnodiging voor een etentje… Als een herinnering dat ik meer ben dan dit ‘hoopje’ ellende.
Vandaag leef ik niet zonder ongemakken, niet zonder problemen, maar wel met hoop. En dat maakt het grote verschil.



Plaats een reactie